Casper's wereld

Quotes & Symbols

April

1 april

1. Op St. Huigen (1 april) , valt de sneeuwman in duigen.



















2. Zo menig vorst in maart, zo menig dauw in april.


3. Wil april toch niet vertrouwen, hij is en blijft de ouwe.Nu lacht hij met zonnegloren, dan smijt hij hagelstenen om de oren.














4. Vriezende januari, natte februari, droge maart, regen in april, is de boeren hunnen wil.











5. Op één april geen zon, vaak water in de ton.


6. 1 april, kikker in je bil!
















2 april

 

1. Al doet april ons mooi weer aanschouwen, het is evenals een fortuin, we kunnen het niet vertrouwen.


2. Als maart zacht is in wil, verwacht men koude in april.














3. Het is groen in het veld dat ons 't oog bekoort,doch zelden houdt april zijn woord.












4. Als maart geeft aprilweer, dan geeft april maartsweer.


5. April met zijn gril, doet wat hij wil.















6. Ne meikever in april, is ne zot die niet weet wat hij wil.












3 april

1. Is Isidores (3 april) voorbij, noordenwind voorbij.


2. Isidorus (3 april)  thuis, uit gaat het fornuis.


























3. April moet moet mei de aren leveren.


4. Februari met veel sneeuw, een droge maart en een natte april, voorspellen een goed jaar.
























4 april


1. 't Mag vroeg of laat zijn, april wil kwaad zijn.














2. Droge maart, natte april en koele mei, vullen de schuur en de kelder erbij.


3. Op een droge april, wil wel eens een droge zomer volgen.














4. Een droge maart is goud waard, als het in april maar regenen wil.
















5 april

1. Een droge april, is niet der boeren wil. Maar aprilse regen, daar is hun veel aan gelegen.














2. Als maart niet gaart, april niet wil, doet mei, het voor allebei.


3. Een droge maart en natte april, dat is naar de boeren hun wil.















4. Als de specht lacht, dan wordt regen verwacht.












6 april

1. Aprilleke zoet, geeft graag wel eens een witte hoed.














2. Een droge maart en natte april, dan doet de landman wat hij wil.


3. Nooit aprilletje zo zoet, of het sneeuwt de scheper op zijn hoed.














4. Een droge maart en natte april, is alle boeren schuren vol.














7 april 

1. In april mag je met permisse, nog kottekes (kuiltjes) in d'ijsbaan pisse.


2. Maart droog en april nat, geeft veel koren in het vat.













3. Verschaft april mooie dagen, dan pleegt de mei de last te dragen.



























4. Wat maart niet wil, neemt april.


5. Ligt de poes de hele dag op de stoel, reken dan op een natte boel.























8 april

 1. April mooi en rein, in mei zal 't donker zijn.



















2. Donder in maart, vorst in april.


3.April klaar en rein, mei zal des te wilder zijn.














4. Maart pakt ze bij de staart, april bij de bil.



























9 april

1. Is April schoon en rein, dan zal Mei minder zijn.


2. Als april schoon wil zijn, wroet mei gelijk een wild zwijn.














3. Maart wind en april regen, beloven de boer veel zegen.














4. Als in april de kevers opstaan, dan zal mei van koude vergaan.


5. Maartse wind en aprilse regen, beloven voor mei de grootste zegen.














10 april

1. Is april mooi, dan zal mei niet deugen.














2. Wie zaait ip St. Ezechieël (10 april), zijn vlasgaart lukte altijd wel.

 

3. Zaait ge op St. Terentuel (10 april), lukt uw tuintje wel.















4. Een grote zon en bleek van schijn, dan zal het regenachtig zijn.














5. Geen zaterdag zo kwaad, of de zon schijnt vroeg of laat.


11 april

 

1. Zaait g'op Sint Ezechiël, zeker lukt de vlasgaard wel.













2. Wie zich zelfe bemint, wachte zich voor maartse zon en aprilse wind.













3. Noordenwind in april en mei, maakt augustus en september blij.


4. Maartse zon en aprilse wind, bederven menig schoon kind. (Dan krijgen kinderen sproeten).














12 april

1. Mag het dauwen in april en mei, wij zijn in oogst en september blij.



























2. Maart houdt de ploeg bij de staart, april houdt ze weer stil.


3. April heeft menige gril.















4. April koud en nat, vult zak en vat.
























5. Nachtvorst met een Zuidenwind op kersenbloem, daar treurt de kweker om.



























13 april

1. April doet wat 'ie wil.


2. Aprilvlokjes geven meiklokjes.














3. Regen in april en wind in mei, maakt de boeren blij.













 


4. Aprilse vlokjes, brengen meise klokjes.


14 april

1. April veranderlijk en guur brengt hooi en koren in de schuur.














2. Op St. Tiburtius (14 april) na de noen, worden alle velden groen.













 3. Op St. Tiburtin na de noen (3 uur namiddag), worden alle velden groen.


4. April maakt de bloem, en mei bekomt de roem.














5. Bloeien de bomen tweemaal op een rij, zal de winter zich rekken tot mei.



























15 april

1. Blaast april op zijn hoorn, is dat goed voor gras en koorn.


2. Broedt de spreeuw vroeg in april, er is een schone meimaand op til.














3. Op St. Justijn (15 april) , doodt de koude het venijn.


























4. April regen, boerenzegen.


5. Als de hoenders kakelen lang en goed, zal het regenen in overvloed.



























15 april


1. De vrouwen en aprillen, ze hebben bei hun grillen.

 



























2. April koud en mei warm, geen boer wordt er arm.


3. De echtelijke staat is als de maand april, nu zonneschijn, dan storm, dan weer stil.














4. Warme aprilregen, is vast een grote zegen.














16 april

1. De vrouwen en aprillen, ze hebben bei hun grillen.



























2. De echtelijke staat is als de maand april, nu zonneschijn, dan storm, dan weer stil.


3. April koud en mei warm, geen boer wordt er arm.














4. Warme aprilregen, is vast een grote zegen.














17 april

1. De heren en de aprillen, bedriegen gelijk ze willen.


2. Valt in april veel nat, dan zwemmen de druiven tot in het vat.














3. Op aprilweer en herengunst, valt geen staat te maken.














4. Sneeuw in april geen nood, zware nachtvorst meer doodt.


18 april

1. Laat het weer zijn zoals het wil, ontkleed u niet voor half april.


























2. Sneeuwt april nog op onze hoed, ’t is voor de druiven en koren goed.


3. Met aprilse koeken, lap je geen broeken.



























4. Het grasken dat in april wast, staat in mei vast.














19 april

1. Roept en tiert wat je wil, ik (koekoek) kom toch niet voor half april.


2. Vroeg gras, geen gras, laat gras genoeg gras.



























3. Een natte april belooft veel vruchten.













4. April is bot, doch slijpt het gras en knipt de bladeren.


19 april

 



1. April koud en nat, veel koorn in het vat.













2. Een natte april, dan doet de boer wat hij wil.













3. Grasmaands gril, is hooimaands wil.


4. Een natte april, hebben de boeren hun wil.














5. Bloeien de bomen tweemaal op een rij, zal de winter zich rekken tot mei.