Casper's wereld

Quotes & Symbols

Juni

1 Juni

1. Op juni komt het aan, of de oogst zal bestaan.













2. Als het in juni veel dondert, komt er een overvloed van koren.


3. Is de eerste juni regenachtig, heel de maand is twijfelachtig.













4. Dondert het in de junimaand, is ’t koren goed en ’t vee ververst hare vrucht.



























2 Juni




1. Niet te koel, niet te zwoel, niet te nat, en niet te droog, vult de schuren hoog.


2. Juni nat en koud, maakt vaak dat je het hele jaar ellende houdt.


























3. Leent noorden wind aan juni de hand, zo waait hij het koren in het land.



























3 Juni

1. Als 't koud en nat in Juni is, dan is 't heel het jaar ook mis.


2. Donderweer in juni maakt het koren dik.























4 Juni

1. Braakmaand nat, ledig schuur en vat.























2. In juni te veel regen in de nok, schaadt de bij en de bonenstok.


3. Als een kat over het gers van een stuk afgemaaid land heen rent, hoeft de boer zich zorgen te maken over het hooi omdat het niet zal gaan regenen.













5 Juni

1. Is Juni nat en guur, wordt alles slecht en duur.















2. Het onweer in juni zuivert de lucht.


3. Juni regen is God zegen, komt de zon daar bij, dan maakt hij boer en stadslui blij.













6 Juni

1. Blaast Juni uit de noordkant, zo waait hij koren van het land.













2. Juni meer droog dan nat, vult goede wijn het vat.


3. Te veel koude regens in juni, schaden wijn en bijenstok.















7 Juni


1. Als de noordenwind in juni gaat, komt het onweer wel te laat.













2. Zware onweersbuien, baren dikke korenaren.


3. In juni veel regen, komt wijngaard en bijen niet gelegen.















8 Juni

1. Zoals Sint Memardus (8 juni) 't weder vindt, blijft hij zes weken met zijn wind.














2. Sint Medardus (8 juni) met zijn regen, hou je zes weken niet tegen.


3. Wat Sint Medardus (8 juni) geeft, droog of nat, zes weken duurt het dit of dat.













4. Regen op Sint Medaar (8 juni), zes weken te voor of zes weken er naar.













5. Sint Medard (8 juni) geeft zijn zegen, met zes weken wind en regen.


6. Sint Medardus (8 juni), de grote pisser.


























7. Als Medardus (8 juni) pist, regent het zes weken aan een stuk.






















8. Was Sint Petrus een grote visser, Sint Medardus (8 juni) is een grote pisser.


9. Valt op Sint Medardus (8 juni) regen, ge houdt hem zes weken niet tegen.














10. Als Sint Medardus (8 juni) zijn sluizen openzet, is er voor zes weken weinig pret.














11. Op Sint Medardus (8 juni), voor ons zonden, regent het dikwijls katten en honden.


12. Wat Sint Medaar (8 juni) geeft voor weer, brengt hij ook in de oogsttijd weer.



























13. Sint Medardus (8 juni) van omhoge, laat beneden hier het weer droge.














14. Sint Medardus (8 juni) hoog (noordenwind), maakt de aarde droog.


15. Het weer van Sint Medardus (8 juni) feest, heerst in de oogsttijd wel het meest.



























16. Zoekt Sint Medardus (8 juni) in regen troost, dan zendt hij die ook in de oogst.













17. Als het op Sint Medardus (8 juni) regent, regent het zes weken alle dagen.


18. Als met Medardus (8 juni) buien jagen, zo duurt de ogen vele dagen.




















9 Juni

1. Hoort ge in Juni de donder kraken, dan maakt de boer vast goede zaken.














 

2. Waait in juni de noordenwind over het land, dan krijgt de boer veel koren in zijn hand.

 

 

3. Als het veel in juni regent, de Heer de oogst niet zegent.

 















10 Juni

1. Juni met veel donder, brengt de oogst ten onder.













2. Heeft Sint-Magriet (10 juni) geen zonneschijn, dan zal het een natte zomer zijn.


3. Is er in juni pas zonneschijn, dan wordt de zomer erg klein, maar fijn.















11 Juni


1. Regent het op Sint Barnabas (11 juni), zwemt de oogst in een waterplas.













2. Valt op Sint Barnabas (11 juni) veel nat, zwemmen de druiven in het vat.


3. Sint Barnabas(11 juni) die nooit de sikkel vergat, heeft de langste dag en het langste gras.














4. Schoon weer op Sint Barnabee (11 juni), dan dansen alle boeren mee.














5. Sint Barnabas (11 juni) maait het gras.


12 Juni



1. Juniregen, goddelijke zegen.













2. Juni nat en koud, meest van het hele jaar ellende brouwt.












3. Juni vochtig en warm, dan maakt ze de boeren niet arm.


13 Juni



1. Is het op Sint Antonius (13 juni) nat, de boer verdrinkt van verdriet zich zat.
























2. Als op Sint Antonius (13 juni) de zon schijnt, veel zorg voor de boer verdwijnt.















3. Sint Antonius (13 juni) schoon en helder, vult vat en ook de kelder.


14 Juni

1. Zo heet het is in Juni, zo koud het is in december.















2. Met een zomerwervelwind, is het weer ons goed gezind.























3. Staat op Sint Basiel (14 juni) het koren schoon, de boer geeft zijn land nog voor geen kroon.