Casper's wereld

Quotes & Symbols

Mei

1 Mei

1. Als St. Philippus (1 mei) regent, is de oogst gezegend.













2. Philippus ( 1 mei) en Jacobus (1 mei), portieren van de mei, draagt zorg voor onze wei.




3. Maartse wind en aprilse regen, beloven voor mei de grootste zegen.










4. Is april mooi, dan zal mei niet deugen.













2 Mei

1. Het is een wenk, reeds lang verjaard, maar het vriest even vaak in mei als in maart.


2. Een meikeverjaar, een goed jaar.














3. De zonne in de meie, zet oude lieden aan het vrijen.




















4. Avonddauw en zon in mei, hooi met karren op de wei.


3 Mei

1. Jezus op heilig hout (3 mei kruisverheffing), heeft het nog wel eens koud.



















2. Wie nu zijn koren zaait, voelt zich later niet bekaaid.















3. Wil maart reeds donder, dan is sneeuw in mei geen wonder.


4. Aprilvlokjes geven meiklokjes.













4 Mei

1. April maakt de bloem, en mei bekomt de roem.

























2. Als de meie zal dauw verspreiden, zult ge hebben groene weiden.


3. Als de bij naar huis toe vlucht, zit er regen in de lucht.











4. Dat Florian (4 mei), soms nog een sneeuwhut bouwen kan.











5 Mei


1. Droge maart, natte april en koele mei, vullen de schuur en de kelder erbij.




2. Broedt de spreeuw vroeg in april, er is een schone meimaand op til.


























3. Een bij in mei, is zo goed als een ei.














4. Als de eikels in mei gaan bloeien, zal alles volop gaan groeien.


6 Mei

1. Zwiert hier en daar een bij, dat maakt de landman van harte blij.


























2. Hoe meer onweer in mei, zoveel minder in de herfst.











3. Hoe meer onweer in mei, zoveel minder in de herfst.


























7 Mei

1. Is ‘t koud en bloeit de meidoorn, veel van haar pracht gaat verloren.













2. Is ‘t koud en bloeit de meidoorn, veel van haar pracht gaat verloren.


3. Roept de houtduif keer op keer, dan komt er vast en zeker mooi weer.


4. Met St. Stanislaus (7 mei) aan de stond, komen de aardappelen uit de grond.




























8 Mei


1. Scheert de zwaluw over water en wegen, dan komt of blijft er wind en regen.


2. Donder in maart, sneeuw in mei.












3. Bijenzwerm in mei, is goed teken voor de wei.













4. April koud en mei warm, geen boer wordt er arm.


9 Mei




1. Mei koel en nat, vreet koe en paard zich zat.














2. De mei tot jubelmaand verkoren, heeft toch nog rijm achter de oren.














3. St. Macarius (9 mei) rust noch duur, want de hemel staat in vuur.


10 Mei




1. Wat koelte en wat nat, vult uw kelders beurs en vat.



























2. Zijn in maart de wolken groots en wijd, in mei is het dan het gewas dat goed gedijt.















3. Als het dondert in mei, valt er dikwijls hagel bij.



4. Wie bonen wil winnen, moet op Sint-Job (10 mei) beginnen.




















11 Mei

1. Kan vriezen in mei tot de IJsheiligen (11-14 mei) zijn voorbij.

 














2. Weest op uw hoede, en waakt nu wel, mei baart dikwijls kattenspel.


3. Voor ijsheiligen (11-14 mei) de bloemen buiten, veelal kun je daar naar fluiten, wacht af tot ze zijn voorbij, de bloemen zijn u daarvoor blij.



























4. Als is Mamertus (11 mei) oud en grijs, hij houdt van vriezen en van ijs.














12 Mei


1. Regen en wind in het midden van mei, maakt de boeren vast niet blij.


2. Mist in maart, is water of vorst in mei.



























3. Donder in mei, zingt de boer jochei.
























4. Het kan vriezen tot in mei, tot de IJsheiligen zijn voorbij, Mamertus (11 mei) en Pancraas (12 mei), Servatius (13 mei) en Bonifaas (14 mei).


13 Mei

1. Is er met St. Servaas (13 mei) geen rijm te zien, dan zal Bonifaas (14 mei) geen sneeuw ons biên.















2. Servaas (13 mei) moet verlopen zijn, voor de nachtvorst goed wel verdwijnt.













3. Pancraas (12 mei), Servaas (13 mei) en Bonifaas (14 mei), geven ijs en vorst helaas.


4. Voor de nachtvorst zijt ge niet beschermd, totdat Servatius (13 mei) zich over u ontfermt.













5. Vóor Servaas (13 mei) is men niet behoed voor nachtelijk vorst.













6. Voor Servaas (13 mei)geen zomer, na Servaas geen winter.


7. Geen rijmken na Servaas (13 mei), geen vloksken na Bonifaas (14 mei).
























8. St. Servaas (13 mei), de groet van Maastricht, op wiens graf men nooit sneeuw zag. (Na 13 mei geen sneeuw meer).













9. Wie zijn schaap scheert voor St. Servaas (13 mei), houdt meer van wol dan van het schaap.


14 Mei

1. IJsheiligen (11-14 mei) hebben harde (koude) koppen.



























2. Tot Bonifaas (14 mei), die strenge baas, wees voor de vrucht, op vorst beducht.



3. St. Bonifaas (14 mei) geeft, let op, de laatste zak de vriesman op.














4. Voor nachtvorst is men niet beschermd, tot Sint Bonfaas (14 mei) zich over ons ontfermt.


5. Van nachtvorst ben je nimmer vrij,  als Bonifaas (14 mei) niet is voorbij.























6. Een natte mei, boter in de wei.



























7. 14 mei gaan de IJsheiligen er weer vandoor, het zou leuk zijn als ze dan ook de schijnheiligen meenemen.


15 Mei

1. April moet moet mei de aren leveren.













2. Regen in april en wind in mei, maakt de boeren blij.

























3. Avonddauw en koelte in mei brengen veel wijn en veel hooi.


4. Koude mei, gouden mei.












16 Mei

1. Een bijenzwerm in mei maakt de hooiboer blij.













2. Meiregen op het zaad, is goud op de plaat.


3. Verschaft april mooie dagen, dan pleegt de mei de last te dragen.













4. Koele mei schenkt een vruchtbaar jaar, droge mei een duur jaar.















17 Mei


1. De mei tot juichmaand uitverkoren, heeft toch de rijp achter de oren.


2. Zoele mei, boeren geschrei.













3. April mooi en rein, in mei zal 't donker zijn.
























4. Het onweer in de schone mei, doet het koren bloeien op de hei.


























18 Mei

1. Kamillegeur in mei, brengt de zomer dichterbij.














2. Is het weer in mei te mooi, dan krijgt de schuur maar weinig hooi.


3. Als de meie zal dauw verspreiden, zult ge hebben groene weiden.














4. IJs in mei, nutteloos getij.














19 Mei

1. Een bijenzwerm in mei, is een goed teken voor de wei.


2. Heden schupjes (spades), morgen drupjes.















3. Als het regent in mei, is april voorbij.


























20 Mei


1. Is het koud en bloeit de meidoorn, veel van haar pracht gaat verloor'n.


2. Meimaand trekt men schapen door de vaart, dan blijven ze voor schurft bewaard.













3. Meiregen, meizegen.













4. Een frisse winderige mei, maakt het jaar vruchtbaar. 


21 Mei

1. De zomer in de meie zet oude lieden aan het vrijen.













2. Dondert 't in de maand maart in mei dekt sneeuw de aard.













3. Een onweer in mei maakt de boeren blij.


4. Een koude mei, een gouden mei.













22 Mei

1. Meiregen op het zand, is goud op de plant.



























23 Mei

1. Bomen moeten op 23 mei gepoot worden. Meiregen doet groeien.


2. Meiregen genoeg en 't weer is mooi, dan 't hele jaar lang brood en hooi.













3. Mei koel en nat, vult zak en vat.














4. April klaar en rein, mei zal des te wilder zijn.



















24 Mei

1. Onweer in mei, is vruchtbaar getij.


2. Is het koel maar niet te nat in mei, dan is het hooiboerke blij.


























3. Meiregen, geldregen. 













4. Het weer wat koel en ‘n buitje erbij, dat maakt in de mei de landman blij.


25 Mei

1. St. Urbanis (25 mei) in de zon, wijn in de ton.













2. Schijnt de zon St. Urbaan (25 mei), dan wordt de wijnstok zwaar belaân.
























3. Regent het op St. Urbijn (25 mei), zo is er weinig wijn.


4. Zonnig in Urbanustijd (25 mei),  zorgt voor een goede kwaliteit.



























5. Sente Urbaendach (25 mei) gaet de lentin uut, dan komt die somer met syne virtuut, dat weder beghint te wesen schone, de sonne warm an den trone.


























(Seizoenen ware n in de Middeleeuwen veel onduidelijker gedefinieerd dan tegenwoordig. Gebruikelijk was dat de zomer op 25 mei begon).


26 Mei

1. In mei warme regen, vruchtenzegen.




2. Als in april de kevers opstaan, dan zal mei van koude vergaan.


















3. Als april schoon wil zijn, wroet mei gelijk een wild zwijn.























4. Donder in mei, geeft gras in de wei.



27 Mei


1. In mei alvast, zijn jas en hoed tot last.



























2. In de maand mei leggen alle vogels een ei, behalve de kwartel en de griet, die leggen in de meimaand niet.


3. Zingt de vink vroeg in de morgen, dan zal die dag voor regen zorgen.


























4. Nachtvorst in Mei, houdt ‘t jonge groen niet schadevrij.



























28 Mei

1. Op Sint Augustijn (28 mei), zullen de winters over zijn.



























2. In mei warme regen, betekent boerenzegen.


3. Het weer wat koel, met een buitje erbij, dan maakt in mei de landman blij.














4. Dauw in april en mei, maken een goede augustus en september.














29 Mei


1. Meivloed, doet een heel jaar goed.

 

2. Van de bloem, bekomt mei de roem.














3. Warme en zachte meiregen geeft schone bloemen en rijke aren.


























4. Is mei nat, een droge juni volgt haar pad.


30 Mei



1. Als op het eind van mei d'eikels bloeien, zal daar een vet boerenjaar uit groeien.



















2. Einde mei, staartje van de winter.
























3. Mei nat, spek in het vat.


31 Mei